Bijgewerkt in juni 2026
Mondelinge uitdrukking DELE A1 — Jezelf voorstellen en beschrijven met eenvoudige zinnen
De mondelinge test van DELE A1 duurt 10 minuten plus 10 minuten voorbereiding vooraf. Het heeft 4 taken: persoonlijke presentatie, beschrijving van een foto, vragen en antwoorden met kaarten, en een kort gesprek over je directe omgeving.
Het is de test die de meeste angst oproept bij kandidaten, maar het vereiste niveau is zeer laag. Je hoeft niet vloeiend te spreken of complexe structuren te gebruiken. Korte zinnen in de tegenwoordige tijd, basiswoordenschat en begrijpelijke uitspraak zijn voldoende.
Structuur van de test
| Fase | Duur | Wat je doet |
|---|---|---|
| Voorbereiding | 10 min | Je bereidt taken 1 en 2 voor met materiaal (in een aparte ruimte) |
| Taak 1 | 1-2 min | Persoonlijke presentatie (monoloog) |
| Taak 2 | 2-3 min | Een foto beschrijven |
| Taak 3 | 2-3 min | Vragen en antwoorden met kaarten |
| Taak 4 | 2-3 min | Gesprek met de interviewer |
Taak 1: Persoonlijke presentatie
Je moet 1-2 minuten over jezelf praten. Je bereidt dit deel voor tijdens de 10 minuten voorafgaand met een kaartje dat je krijgt.
Thema's die je moet behandelen:
- Je naam en waar je vandaan komt
- Je leeftijd
- Waar je woont
- Je familie
- Je werk of studie
- Wat je leuk vindt om te doen
Voorbeeld van een presentatie:
"Ik heet Ana. Ik ben Frans, uit Parijs. Ik ben 28 jaar oud. Ik woon in Madrid met mijn vriend. Ik werk in een ziekenhuis, ik ben verpleegster. In mijn vrije tijd lees ik graag en wandel ik in het park."
Dit zijn korte zinnen, allemaal in de tegenwoordige tijd, met A1-woordenschat. Voldoende voor de maximale score in deze taak.
Taak 2: Een foto beschrijven
Je krijgt een foto en je moet zeggen wat je ziet. De foto toont een alledaagse scène: een gezin dat eet, een straat met winkels, een klas, een markt. Je bereidt deze taak ook voor in de 10 minuten voorafgaand.
Structuur om de foto te beschrijven:
- "Op de foto is er..." (mensen, objecten, dieren)
- "Het is een..." (plaats)
- "De persoon draagt..." (kleding, objecten)
- "Ze zijn in..." (plaats)
- "Ik denk dat het..." (moment van de dag, seizoen)
Je hoeft geen verhaal uit te vinden. Beschrijf wat je ziet met eenvoudige zinnen: "Er zijn drie mensen. Ze zijn in een restaurant. De vrouw draagt een rode jurk. Er is eten op de tafel."
Taak 3: Vragen met kaarten
De interviewer geeft je kaarten met onderwerpen (eten, huis, familie, tijden) en stelt je eenvoudige vragen. Jij hebt ook kaarten om hem vragen te stellen.
Typische vragen die je krijgt:
- "Hoe laat ontbijt je?"
- "Hoeveel kamers heeft je huis?"
- "Wat eet je normaal gesproken?"
- "Heb je broers of zussen?"
Vragen die jij moet stellen (met hulpkaart):
- "Waar woon je?"
- "Vind je het leuk om te koken?"
- "Wat is je favoriete kleur?"
Taak 4: Kort gesprek
Een kort gesprek met de interviewer over je directe omgeving. Hij kan je vragen over je buurt, je Spaanse les, je klasgenoten of je dagelijkse routine.
De interviewer past zijn niveau aan dat van jou aan. Als je een vraag niet begrijpt, kun je zeggen "Kunt u dat alstublieft herhalen?" zonder straf. Beantwoord met korte en directe zinnen.
Wat ze evalueren
- Communicatie: Geef je de basisinformatie door?
- Uitspraak: Is je uitspraak begrijpelijk? (Je hoeft geen perfect accent te hebben)
- Woordenschat: Gebruik je geschikte woorden voor A1?
- Grammatica: Verbuig je de werkwoorden in de tegenwoordige tijd? Gebruik je lidwoorden?
- Interactie: Beantwoord je de vragen? Stel je vragen wanneer het jouw beurt is?
Hoe je je kunt voorbereiden
Oefen je presentatie
Schrijf het op, leer het uit je hoofd en herhaal het elke dag hardop totdat het natuurlijk aanvoelt. Neem jezelf op met je mobiel en luister naar jezelf. Het moet tussen de 1 en 2 minuten duren.
Beschrijf elke dag foto's
Open een tijdschrift of zoek foto's op internet. Beschrijf wat je ziet gedurende 2 minuten met "er is", "het is", "het heeft", "het draagt", "het is". Als je een woord niet weet, beschrijf het: "het ding om koffie te drinken" in plaats van "kopje".
Bereid vragen en antwoorden voor
Maak een lijst van 20 basisvragen (Waar...? Hoeveel...? Wat...? Hoe laat...?) en oefen met het beantwoorden van elk in 1-2 zinnen.
Trucs voor de examendag
- Gebruik de 10 minuten voorbereiding maximaal. Schrijf aantekeningen (geen volledige zinnen) voor de taken 1 en 2.
- Spreek langzaam. Nervositeit zorgt ervoor dat je snel praat en fouten maakt.
- Als je een woord niet weet, gebruik dan een eenvoudiger woord of beschrijf wat je wilt zeggen.
- Maak oogcontact met de interviewer. Lees je aantekeningen niet voor als een robot.
- Als je een fout maakt, corrigeer dan en ga verder. De examinatoren waarderen zelfcorrectie.
Bereid je mondelinge presentatie voor en oefen het beschrijven van afbeeldingen met begeleide oefeningen.
Download DELE A1 Practice